Haaksbergerveen


Inhoud

IN HET KORT

Het Haaksbergerveen is een voormalig hoogveengebied dat nu nog ca 500 ha groot is. Het wordt beheerd door Staatsbosbeheer. Het Haaksbergerveen is samen met het nabijgelegen Buurserzand aangewezen als een van de 162 door Europa in Nederland aangewezen Natura 2000 gebieden. Natura 2000 is het samenhangende Europese ecologisch netwerk van gebieden die bijzondere natuurwaarden vertegenwoordigen. Een natuurdoel bij het Haaksbergerveen is het instandhouden van actief hoogveen, het regenereren van aangetast hoogveen en het ontwikkelen van veenbossen. Miljoenen jaren geleden zijn er in het gebied van het Haaksbergerveen keileemafzettingen ontstaan. Deze keileemlaag ligt als een schotel onder het veen. Later werd die schotel met een laag fijn dekzand overdekt en ontstonden er hoge en lage plekken. De keileemlaag is zeer slecht waterdoorlatend en omdat er in onze omgeving een regenoverschot is werd die schotel met water gevuld. Tot 10.000 jaar v Chr was er door het barre klimaat in onze streken nauwelijks te wonen. Toen tussen de 10.000- 6000 jaar voor onze jaartelling de temperatuur ging stijgen, ontstonden er dichte bossen.

Plantenselectie

Voor de groei van planten zijn voedingsstoffen nodig. Het veen ligt op 35 m NAP en er viel alleen voedselloze regenwaterneerslag. Na verloop van tijd krijgen de plantensoorten die op voedselarme grond goed gedijen de overhand. Deze biologische selectie wordt sinds Darwin de "survival of the fittest" genoemd. Zo doet het veenmos zijn intrede. De belangrijkste voorwaarden voor hoogveenvorming zijn voedselarm water en een stabiele waterspiegel in kleine wateroppervlakten. In de winter is er echter een overschot aan water is en in de zomer treedt er verdroging op. Het overschot aan water wordt afgevoerd door middel van een sawasysteem en de verdroging wordt bestreden door de verdamping te beperken.

Het SAWA systeem met dammen

Het terrein ligt in het oosten (Wennewickweg) bijna 4 m hoger dan in het westen (Niekerkerweg). Dat betekent dat onder normale omstandigheden het water van hoog naar laag wegstroomt. Bisj de waterbeheersing is gekozen voor het SAWA systeem Daarbij wordt achter elkaar een reeks van dammen aangelegd. Berekend is dat een drie meter brede zanddam een hoogteverschil van ongeveer 40 cm in stand kan houden. Bij een te hoge waterstand in een damgebied wordt met behulp van overlooppijpen het water op een lager gelogen damgebied geloosd. De dammen zijn in 1974 aangelegd en in 1992 door het succes van de hoogveenregeneratie verhoogd. Ook na de renovatie in 2000 kon in sommige percelen het water met 10 cm omhoog.

Tegengaan van verdamping

Het gebied wordt uitsluitend gevoed door regenwater. Het is voor een constante waterspiegel dus ook belangrijk om verdamping zoveel mogelijk tegen te gaan. Daarom wordt de berkenopslag waar mogelijk verwijderd. In de zomer verdampt een boom 2-3 maal zo 'water als het pijpenstrootje. Een probleem bij het verwijderen van berken is dat een gekapte berk weer opnieuw uitloopt. Dit kan voorkomen worden met een groeiremmend middel. Het is echter natuurlijker om gedurende 2-3 jaar een schaapskudde in het voor- en najaar over zo'n terrein te laten lopen. Schapen eten de jonge uitlopers op en na 2-3 jaar is de berk definitief dood. Sinds 2003 is er een schaapskudde in het Haaksbergerveen.

De hoogveenregeneratie in het Haaksbergerveen

In het afgetakelde hoogveen dat het Haaksbergerveen nu is vindt de veenvorming plaats vanuit de diverse regenputten. De veenvorming op dit moment gaat ongeveer als volgt in zijn werk, Op de bodem van de veenput groeit eerst veenpluis. Daartussen vestigt zich een veenmossoort die zich onder die omstandigheden redelijk thuis voelt, het waterveenmos, Door de verhoging van de waterstand breidt de veendeken zich horizontaal uit. Later ontstaat ook een verdieping, waarbij weer andere soorten veenmos betrokken zijn, De dikker wordende deken zakt door zijn gewicht naar beneden waarbij de oppervlakte van de deken ongeveer hetzelfde blijft. Dit is het ontstaan van de zogenoemde veenmosdrijftillen. 4 Na enige tijd verschijnen er op die drijftillen niet alleen andere soorten veenmos, maar ook Veembes, Lavendelheide en Zonnedauw. Als de drijftillen zo diep zijn dat ze de, bodem beginnen te raken komt ook het Pijpenstrootje naar voren en kan een dopheide-achtige begroeiing ontstaan. Ook het gewone Haarmos breidt zich dan uit in de vorm van hoge groene kussens.

Snelheid veenvorming

Aan de onderkant sterft het veenmos af en ook de andere plantendelen zakken naar de bodem. De vertering stopt omdat door het water de plantendelen van de lucht zijn afgesloten. Op die manier ontstaat veen. Dat gaat overigens niet snel- door inklinking groeit het veen ongeveer 0,5 - 1 mm per jaar dat wil zeggen 1 m turf betekent een volle 1000 jaar.

HOOGVEENVORMING

Het veenmos en de vorming van hoogveen


Waterveenmos


Sphagnum rubellum


Hoogveenmos

Veenmos is voor de vorming van hoogveen een voorwaarde. In voedselrijk water gaat veenmos dood. Veenmos heeft geen wortelstelsel. Het voedsel moet via stengels en bladeren worden opgenomen. Veenmos heeft twee unieke eigenschappen :

  • de plant kan 10 - 40 x zijn eigen gewicht aan water vasthouden.
  • veenmos maakt zijn eigen milieu want het is in staat het milieu sterk te verzuren waardoor het veenmos de concurrentie met andere planten kan winnen.

Van het geslacht VEENMOS (Sphagnum) vele ondersoorten. In het Haaksbergerveen koen ongeveer 16 voor. Die verschillende ondersoorten zijn alleen microscopisch te onderscheiden. Een goede herkenning is om te kijken waar ze groeien. Er zijn soorten die in matig voedselarm water kunnen leven zoals Waterveenmos, terwijl andere ondersoorten zich juist in echt voedselarm water het beste thuis voelen Alleen in zeer voedselarm water (niet verrijkt regenwater) komt Hoogveenmos =Sp magellanicum voor

Hoogveen versus laagveen

Hoogveen ontstaat alleen als er zeer voedselarme omstandigheden zijn. Het enige beschikbare water is het regenwater. Soms wordt hoogveen daarom ook wel regenwaterveen genoemd. Laagveen ontstaat uit grondwater: dit is ook voedselarm, maar rijker dan regenwater.

De vorming van hoogveen

Aangenomen wordt dat de hoogveenvorming als volgt gegaan is: in het gebied waar hoogveen zich gevormd heeft, hebben zich waterplassen bevonden. In die waterplassen groeit het veenmos en ontstaat verlanding want de planten sterven elk jaar af en de laagte wordt langzamerhand gevuld met dood organisch materiaal. Ook de voedingsstoffen zakken mee naar de bodem en de planten die in een voedselarm milieu kunnen leven krijgen de kans en zoals gezegd voelt het veenmos zich daar bij uitstek thuis. Het veenmosdek wordt snel dikker en dikker omdat het veenmos bij goede temperatuur en voldoende water wel 50 cm per jaar kan groeien. Het afgestorven veenmos blijft aan de onderkant zitten. Omdat ook het afgestorven veenmos in staat is water vast te houden sluit het de omgeving van de buitenlucht af. Door de afsluiting van zuurstof in combinatie met de lage zuurgraad stopt het rottingsproces van het gestorven plantenmateriaal. Ondanks die geweldige groei per jaar is de toename aan veen slecht 0,5 - 1 mm per jaar doordat inklinking optreedt, dwz 1 m veen per 1000 jaar. Gedroogd veen = gedroogd plantenmateriaal= turf en is een goede brandstof. 6 Door het enorme wateropnemende vermogen van het sphagnum kan het veenmosdek boven zijn omgeving uitgroeien en ontstaan er hoogten (buiten) en laagten (slenken). Op die bulten en slenken ontstaat vervolgens weer een eigen vegetatie van planten die zich het beste thuis voelen op wat drogere (bulten) of juiste natte omstandigheden (slenken). In tijden van droogte krimpt het veenmosdek in en als er weer voldoende water is zet het weer uit. De variatie in de waterspiegel is echter gering.

Invloed van de mens

Duizend jaar geleden waren er in Nederland uitgestrekte hoogveengebieden zoals in de Peel en in Drenthe. Het Boertangerveen in Drenthe bijvoorbeeld was 160.000 ha groot. Er is anno 2000 in Nederland nog totaal ongeveer 6000 ha hoogveen over waarvan hier in Haaksbergen ongeveer 500 ha. Dat betekent dat de mens in de strijd om het bestaan behoorlijk te keer is gegaan. De ontginning van het veen is omstreeks 1500 begonnen door de bewoners van de nabij gelezen zandgronden.

GESCHIEDENIS VAN HET HAAKSBERGERVEEN

Omstreeks 1300 zijn in Haaksbergen marktgenootschappen, ook wel marken genoemd, ontstaan. Deze marken kwamen voort uit buurtschappen, maar de term buurschappen is beter. De marken waren nodig om regels te stellen aan het gebruik en beheer van de grond. Door het toenemend aantal mensen en de geringe hoeveelheid cultuurgrond waren er regelmatig conflicten. In de marken werden afspraken gemaakt ten aanzien van het bestuur (kiezen van gezworenen), de landbouw (plaggen, maaien, turfsteken), de veeteelt en taken van maatschappelijke aard zoals begraven van dood vee, onderhoud van wegen en watergangen.

Omstreeks 1830 werden de marken opgeheven en behoorde het huidige veengebied tot de marken Buurse, Haaksbergen en Hones. 7 Het veengebied vormt in die tijd een natuurlijke grens met Duitsland. Er waren regelmatig conflicten tussen de marken. Een van de punten bij de ruzie was dat het Honesser veen maar 1 - 1,5 m dik was en het Haaksbergerveen wel 1,5 - 6 m dik.

De Peddedijk, de Onlandsweg en de Hanebulterweg zijn rond 1850 van het Haaksbergerveen aangelegd. De naam Onlandseweg geeft aan hoe de bevolking tegen het veen aankeek; het was geen land, maar on-land. De naam Hanebulterweg duidt op de aanwezigheid van de korhoen in die omgeving. In 1842 is met veel ruzie en rechtszaken het veen verdeeld en in 309 percelen geveild, door notaris / markerichter Jordaan, die zelf de huidige Kikvosch kocht.

In de periode 1840 -1860 is er in het veen ten behoeve van de textielindustrie en de steenbakkerijen bij de Appelhofweg veel turf gestoken. Na 1860 is er alleen voor individueel gebruik turf gestoken (boerenvervening), net als in de tweede wereldoorlog.


Turfsteker actief (foto Historische Kring Haaksbergen)

Kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is het veen door de regering vrijwel zonder vergoeding onteigend om een werkobject te hebben voor de vele werklozen die toen verwacht werden, maar de ontginning is toen niet doorgegaan. Wettelijk kan onteigend land niet worden teruggegeven en dat heeft bij de voormalige eigenaren veel kwaad bloed gezet. Tussen 1952 en 1956 is door de Overijsselse Ontginningsmaatschappij nog 300 ha ontgonnen en als landbouwgrond verkocht. De resterende 500 ha is het huidige natuurreservaat het Haaksbergerveen.

Turf steken en turf


Varenplaats aan Dievelaarspad

De ontginning van het veen of wel de winning van turf verschilt van plaats tot plaats en is afhankelijk van de omstandigheden. Droge en natte vervening verschilt zoveel van elkaar dat er zelfs twee termen voor zijn: droge vervening heet afvenen en natte vervening wordt uitvenen genoemd. Ook de producten zijn anders: hoogveen levert lange bruine turf in de laaggelegen veengebieden is gebaggerd en de bagger soms met voetkracht (klunen) gedroogd, wat het korte zwarte turf oplevert. Op sommige plaatsen in het Haaksbergerveen treedt varengroei op. Dit wordt verklaard door de opslag van het turf op die plaatsen. Turfresten (= plantenmateriaal = voedsel) zou lokaal voedselverrijking gegeven hebben waardoor de varens ( voedselrijkere grond) een kans kregen.

Verwaarlozing en herstel

Door het einde van de vervening, werd de berkenopslag niet meer verwijderd. Een enorme brand in 1959 die wekenlang heeft aangehouden, veroorzaakte een voedselverrijking van de bodem. Dit heeft de berkengroei sterk bevorderd. Van af 1969 zijn er in het veen herstelwerkzaamheden uitgevoerd die erop gericht zijn het veenmos weer te laten groeien. De omstandigheden daarvoor zijn gunstig omdat er in de oude turfgaten nog steeds veenmos aanwezig is. Om de veengroei te bevorderen is het beheersen van het waterniveau een absolute voorwaarde. De belangrijkste voorwaarden hiervoor zijn water, een stabiele waterspiegel en kleine wateroppervlakten. Probleem is dat er in de winter een overschot aan water is en in de zomer treedt er verdroging op..

PLANTEN

Veenspecifieke planten zijn eenarig wollegras, veenpluis en zonnedauw. Zie de foto's hieronder.


Eenarig wollegras en Veenpluis


Zonnedauw

Eenjarig wollegras

Deze plant groeit met rechtopstaande bloei stengels met aan de top van elke stengel één bloeiaartje met zilverachtig vruchtpluis. Bloei van maart tot mei.

Veenpluis

Het meest opvallend is de bloei van april tot mei de lange witte wolkuif

Zonnedauw

Zonnedauw is een "vleesetend" plantje dat in voedselarme omstandigheden kan overleven door insecten te vangen en te verteren. Zonnedauw heeft talloze kleine tentakeltjes. Het produceert een glinsterend kleverig vocht dat insecten aantrekt en vasthoudt. Als er een mug gelijmd wordt gaat deze spartelen en hoe harde de mug spartelt hoe vaster hij komt te zitten. In het vocht zit wat mierenzuur waardoor er wat eiwitten van de prooi worden opgelost. Door het vrijkomen van deze eiwitten komen er in de plant verteringsappen vrij die de eiwitten van het insect verteren. Bij de mens werkt het net zo: er is altijd wat maagzuur, maar als we gaan eten dan komt er meer vrij. Van het insect blijft alleen nog het onverteerbare pantser over. Er zijn twee soorten zonnedauw: de ronde en de kleine.


Lavendelheide


Beenbreek

Lavendelheide

Een altijd groene heester. Kleine bleekroze bloemen, lampionachtig van vorm die tijdens de bloei verkleuren van roze naar witachtig. Komt in het Haaksbergerveen voor op enkele plaatsen, maar is verder zeldzaam. Bloei in het voorjaar.

Beenbreek

Bij de Groene plas staat de Beenbreek: een lelieachtige plant , die bloeit in juli. De naam heeft deze plant gekregen omdat de schapen, die graasden op heide waar beenbreek staat vaak hun poten braken en dat werd geweten aan het eten van deze plant. Beenbreek groeit op moerassige grond , waar weinig kalk in de bodem zit, zodat de schapen hun benen braken t.g.v kalkgebrek.

VOGELS

Het veen is natuurlijk berucht om de muggen en de steekvliegen. Verblijf in het veen is vanaf half juni nauwelijks aangenaam. Toch zijn het met name de muggen en andere insecten die de vogels naar het veen lokken.

De vogels in het veen kunnen op verschillende manier ingedeeld worden. Er is een onderscheid te maken in:

  • Vogels die broeden in het veen. Dit zijn o. a de fitis, de tjif-tjaf, de geelgors, de wulp, de fázant, de grauwe klauwier, de gras- en boompieper. Er broeden ook soorten die op de lijst staan van de bedreigde soorten in Nederland (de zgn rode lijst), zoals de roodborsttapuit en de blauwborst.
  • vogels die foerageren in het veen. Dit zijn o. a de ekster, de vink de boeren-, de huis- en de gierzwaluw, de koekoek, de grutto, de buizerd, diverse valkensoorten en de Bruine kiekendief Ook trekvogels foerageren in het veen zoals de kraanvogel en de grauwe gans. Spreeuwen op trek verduisteren in de herfst somtijds de hemel.

Roodborsttapuit


Blauwborst


Klapekster

Wintergasten zijn: de Klapekster (een klauwierensoort) en de Blauwe Kiekendief die er meestal alleen slaapt, maar er soms ook overdag jaagt.

MUSKUSRAT


Muskusratten burcht. De ingang is onder water, maar de jongen liggen droog

Het is meerdere keren gebeurd dat mensen het IVN belden en opgewonden riepen dat ze een otter in het veen hadden gezien. Ze konden gerustgesteld worden, want otters komen hier niet voor. Er is geen stromend water en behalve wat modderkruipers is er geen vis. Ze blijken dan een zonnende of rustende muskusrat gezien te hebben, waarvan hier het nest of te wel de burcht te zien is.

MODDERKRUIPER

Een bijzondere soort die in het veen voorkomt is de Grote modderkruipe. De instandhouding van deze soort is een van de natuurdoelen bij het Natura 2000. Er waren in het verleden wel eens waarnemingen van ‘vissen’ in het veen, maar pas eind jaren 70 werd in een muskusrat fuik een dode vis aangetroffen, die als modderkruiper werd herkend. De modderkruiper is een vissoort, maar toch ook weer niet helemaal. Hij wordt beschouwd als een mogelijke tussenvorm tussen een vis en een reptiel. Hij deelt zijn leefgebied niet gaarne met andere vissen omdat die sneller zijn en zijn eitjes opeten. Hij is erg plaatsgetrouw en vertoont geen paaitrek.


Grote modderkruiper

Sinds 27 april 1999 zijn er vastgelegde waarnemingen in het Haaksbergerveen van de Grote modderkruiper. De modderkruiper is een langgerekte cilindervormige vis, naar de staart toe iets afgeplat, die tot 30 cm lang kan worden. Aan de zijkant lopen afwisselend donkerroodbruine en lichtokergele banden. Zijn kegelvormige kop is voorzien van tien tastdraden waarmee hij naar bodemdiertjes zoekt zoals insectenlarven, kreeftjes, wormen en slakjes. Verder heeft hij een relatief kleine bek en dikke vlezige lippen. Hij zit het liefst in ondiep stilstaand of heel langzaam stromend water van plassen, kolken en beken. Voorwaarde is dat er een modderlaag aanwezig is van 20 tot 100 cm. De vis wordt ook wel ‘de mol ‘ onder de vissen genoemd. Grote modderkruipers komen voor in het relatief voedselrijke deel ten noorden van de Wientjesweide en zijn het beste te traceren in de paaiperiode van eind april tot juni, omdat ze dan geregeld aan de oppervlakte zwemmen. Het moment van paaien is afhankelijk van vele factoren, dus de kans om ze te zien is erg klein. Grootste kans is om als de watertemperatuur in het voorjaar in relatief korte tijd sterk stijgt bijv tot rond de 14 graden C.

LIBELLEN

De orde der libellen kent twee onder orden te weten de juffertjes: slank met een fladderende vlucht en de glazenmakers of wel de echte libellen: forser met behendige vlucht. Er komen in het Haaksbergerveen elf soorten juffertjes voor en 12 soorten glazenmakers. Het Haaksbergerveen is van grote betekenis als biotoop voor de libellensoorten die kieskeurig zijn op een voedselarm milieu. In het voedselarme deel komt de zeldzame Speerwaterjuffer in grote aantallen voor. Op andere plaatsen zijn typische hoogveen soorten waargenomen als de Noordse witsnuitlibel, de Viervlek en de Zwarte heide libel. Libellen zijn belangrijke consumenten van de muggen(larven), maar zijn zelf een voedselbron voor de boomvalk. Waar de libellenstand hoog is, is de aanwezigheid van de boomvalk in het Haaksbergerveen verklaard. Voor de voortplanting zijn libellen en waterjuffers afhankelijk van het water. In of nabij water zetten ze hun eieren af en in water ontwikkelen de larven zich tot volgroeide insecten. De kwaliteit van het water bepaalt in grote mate welke soorten waterjuffers en libellen er in kunnen leven.

AMFIBIEËN

Amfibieën zijn vierpotige gewervelde dieren die tjdens hun leven een metamorfose ondergaan. Kenmerkend is dat ze in het water geboren worden en voor de voortplanting ook naar het water terugkeren. De uit de eicel ontstane larve leeft in water en haalt via kieuwen adem. Het volwassen dier haalt met longen adem en kan ook op het droge leven. Een aantal soorten amfibieën zijn in onze ( koude) omgeving ei-levendbarend (ovivipaar), dwz dat de eieren in het moederlichaam tot ontwikkeling komen. Amfibieën kunnen in verschillende leefomgevingen (biotopen) voorkomen.

Kamsalamander


Kamsalamander

In de soortenbijlage van de Habitatrichtlijn wordt de Kamsalamander speciaal genoemd. De Kamsalamander komt voor in het (vermoedelijk door kwel) relatief voedselrijke deel en in het zuidwesten aan de rand van het terrein. In de natuurdoelen van de Natura 2000 staat dat het een populatie is, in een uniek leefgebied. In de paartijd (eind maart / april) groeit bij het mannetje een hoge getande tweedelige kam op de rug die loopt van voorhoofd tot het puntje van de staart. Het wijfje legt in april ongeveer 100 eieren op waterplanten in stilstaand water. Na 2-3 weken komen de larven uit en de metamorfse tot volwasen salamander is er na 3 maanden. Pas in de nazomer verlaten de volwassen exemplaren het water. Ze overwinteren onder loof, in holen, maar soms ook in modder onder water. De Kamsalamander is een roofdier en leeft van insecten, kikkereieren, kikkervisjes en soms ook van de larven van de eigen soort. Een veelvoorkomende soort is de Watersalamander.

Kikkers

De kikkers zijn de grootste groep amfibieën in het Haaksbergerveen. Voor de kikker is het een belangrijke eis dat het water schoon is. Bij de voortplanting van de kikker zitten de eitjes beschermd in een geleiachtige massa, het dril. Als de temperatuur van het water voldoende hoog is ontwikkelen de eitjes zich snel, want na enkele dagen kunnen de larven al ademen en weer enkele dagen later gaan ze op zoek naar kleine waterplanten om zich te voeden. De soorten kikkers die in het Haaksbergerveen voorkomen zijn de groene kikker, de bruine kikker en de heikikker. De naam ‘groene kikker’ is een verzamelnaam. Deskundigen spreken over het ‘Groene kikker complex’ Aan de hand van een aantal kenmerken wordt in het Haaksbergerveen onderscheid gemaakt in poelkikker en bastaardkikker.

De bruine kikker plant zich reeds voort in maart. Het geluid lijkt op een motorcross in de verte.

De heikikker plant zich voort in de 2-3 week van maart; het mannetje wordt dan gedurende enkele dagen hemelsblauw. De heikikker is zeer selectief in zijn biotoop en heeft een voorleur voor een zurig-veenachtige grond. Het is een sterkbedreigde soort. Het geluid lijkt op bellenblazen. De grote plakkaten dril die we in maart aantreffen zijn van de heikikker en de bruine kikker.

De ‘groene kikker’ plant zich voort in mei en vormt geen plakkaten dril maar kleine geleiachtige cellen die naar de bodem zakken. De groene kikker wordt ook wel de boerennachtegaal genoemd door de enorme hoeveelheid geluid die hij met zijn twee kaakblazen weet te produceren.

Kikkers voeden zich met insecten en andere kleine dieren. Het paringsgedrag van de kikker (en padden) is weinig romantisch en tamelijk riskant. Als de hormonen gestegen zijn en het mannetje ontdekt een wijfje dan bespringt hij haar en klemt zich net zo lang vast tot de eieren te voorschijn komen en hij ze kan bevruchten. In de tussentijd hupst het toch al zware wijfje rond met een mannetje op haar nek, wat haar snelheid en dus overlevingskans bij een net wakker geworden hongerige adder, niet bevorderd. In zijn blinde paringsdrang kan het mannetje zich overigens vastklemmen aan alles wat beweegt, dus ook aan een drijvend stukje hout of gras.


Heikikkers met dril


Groene kikker

Als het goed gaat met de veenontwikkeling (zuur water) zullen de kikkers op den ( zeer) lange duur verdwijnen. Nu komen kikkers alleen voor in het zuid-westelijk deel van het veen, daar waar er nog voedselrijkdom is. In het echte hoogveen is het water zo zuur en zo voedselarm dat de kikkerlarven er niet in kunnen overleven. De boomkikker die vroeger algemeen in Twente aanwezig was is uit het Haaksbergerveen verdwenen.

REPTIELEN

Reptielen kunnen volledig buiten het water leven. In het Haaksbergerveen komen hagedissen en adders voor. Reptielen stellen hoge eisen aan hun biotoop, die rijk moet zijn aan insecten en gevarieerd moet zijn in hoogte en dichtheid. De behoefte aan warmte van reptielen is groter dan die van amfibieën, vandaar dat er ook droge zonnige plekken moet voorkomen.

Hagedissen

Er zijn vermoedelijk meerdere soorten hagedissen in het Haaksbergerveen. De enige soort die massaal voorkomt is de ei-levendbarende hagedis. Dit betekent dat de bevruchte eicel in het moederdier wordt bewaard en daarin uitkomt. Op het moment van het verlaten van het moederlichaam is er dus een hagedis. Dat is voor de voortplanting gunstig omdat het moederdier dan de meest gunstige omstandigheden kan uitzoeken.

Adders

Uiterlijk en zintuigen

Het wijfje is ± 80 cm.lang en het mannetje is wat kleiner ± 60 cm. Je zou denken dat de huid glibberig aanvoelt maar dat is niet zo, hij voelt juist droog, maar wel koud aan. De adder heeft schubben, op zijn rug kleine en aan zijn onderzijde brede. Op zijn rug zit een zigzag streep met verschillende kleuren, bruin, (wijfje) zwart, grijs of groen. De onderkant van zijn lichaam is bruin, zwart, of grijs, en het einde van de staart is geel of rood. De adder is doof, zijn tong is heel gevoelig en is dan ook heel lang en gespleten. Met die tong ruikt, proeft en voelt hij, ook kan hij daarmee onderzoeken of er iets in de buurt is. Zodoende steekt hij de tong ook voortdurend naar buiten. De adder heeft geen echte oogleden; daarom kunnen zijn ogen niet dicht. Over zijn ogen zitten doorzichtige schubben, dit is ter bescherming van de ogen.


Adder, mannetje


Adder, vrouwtje

Leefomgeving

De meeste adders leven in Drenthe en Limburg, maar ook het Haaksbergerveen bevat een vitale populatie. De adder houdt van heidevelden met daarbij vochtige stukken land. Soms komt hij ook voor in bossen en dan wel verstopt onder bramenstruiken of brandnetels. Ze zoeken altijd wel de zonnige plekken op omdat de adder zich als koudbloedige (zon)warmte nodig heeft om zijn stofwisseling op gang te brengen. Ze zijn erg schuw,maar met name in het voorjaar op een aantal plaatsen goed te vinden.

Voedsel

Adder verslindt kikker

De adder eet als hoofdvoedsel veldmuizen, maar ook wel jonge mollen, spitsmuizen, jonge vogeltjes en soms ook wel egels, kikkers en hagedissen. Als een dier door een adder wordt, gebeten gaat deze dood, omdat de adder giftanden heeft. Het gif zit, in een blaasje in zijn bek en gaat door zijn tanden in de prooi. De tanden van de adder zijn langer dan die van andere slangen, en hij heeft ook nog 1 of 2 paar reservetanden. Doordat de prooi soms dikker is dan de slang zelf moet zijn bek heel ver open kunnen, zijn tanden klappen dan naar achteren, en hij slikt de prooi in een keer door. De adder heeft geen kiezen, maar in zijn maag zitten sterke maagsappen, die kunnen alles verteren, zelfs botjes. De adder kan 2 weken toe met een muis.

De huid

Omdat het vel van de adder niet meegroeit, krijgt hij geregeld een nieuw vel Dit nieuwe vel zit dan, al onder het oude. Hij zoekt dan een ruwe boomstronk of steen, gaat daar met zijn kop overheen totdat het oude vel vanzelf loslaat. Zo kan hij er weer enkele weken tegen.

Voortplanting

Adderparing

De paartijd van de adder is in april. Er is dan sprake van een adderdans waarbij de adders heftig om elkaar heen kronkelen. Meestal begeren meerdere mannetjes een vrouwtje waardoor zij elkaar proberen te verjagen.De adder is eilevendbarend, d.w.z. dat de eieren al in de buik van de moeder uitkomen. Dit gaat zo omdat het in Nederland te koud is om de eieren door de zon uit te laten broeden. In augustus - september worden de jongen geboren, meestal zijn dat er 5 of 6. Ze zijn bij de geboorte zo'n 15 cm.lang. Ze leven in het begin vooral van insecten zoals mieren.

Winterslaap

Adders gaan in oktober in winterslaap als de temperatuur beneden de 15º C daalt. Ze kruipen dan in een hol of onder een houtstapel, of onder de grond. Soms gaan ze met andere adders samen en soms ook alleen Ze kunnen goed tegen de winter. Als de adders in maart weer wakker wordt is hij wel iets vermagerd, maar niet echt verzwakt.

Vijanden

De adder staat als predator aan de top van de voedselketen. Toch is liggen zonnen niet geheel van gevaar ontbloot: een buizerd is in staat met name een jonge adder in een keer te grijpen en te doden.

Bijzonderheden

Omdat de adder geen poten heeft beweegt hij zich voort door zich met de brede schubben af te zetten. Daarom ligt zijn lichaam ook meestal in bochten. Zijn staart ligt dan stevig tegen een bobbel op de grond gedrukt. Zet hij zich dan af, dan schiet hij vooruit, dan drukt hij zijn brede schubbe: tegen een bobbel en haalt zo zijn achterlijf naar voren.

Gevaar

Een adder valt alleen dieren aan, hij is bang voor mensen. Alleen als je hem oppakt of op hem trapt, zal hij zich verdedigen. Een beet van een Nederlandse adder is niet altijd dodelijk, omdat de hoeveelheid gif wel genoeg is voor kleine dieren, maar niet voor grote.. Volgens de gegevens slechts 1 op 130 beten en dat is sterk afhankelijk van de plaats van de beet. Alleen ziekenhuizen beschikken mogelijk over een tegengif. Het tegengif voor adderbeten wordt gemaakt door een beetje addergif bij een paard in te spuiten. De hoeveelheid gif wordt geleidelijk verhoogd zodat het paard antistoffen gaat vormen. Daarna wordt er bloed van het paard afgenomen en worden de antistoffen er uitgehaald. Deze antistoffen zijn dus het tegengif. Probleem is wel dat het een dierlijk serum is waarin ook nog andere lichaamsvreemde stoffen zitten. Bij een tweede injectie met een (ander) van het paard afkomstige serum, kan daardoor een ernstige overgevoeligheidsreactie ontstaan. Gelukkig zijn er nog maar weinig dierlijke sera, dus de kans op zo’n overgevoeligheidsreactie is tamelijk klein.


Copyright ©2010 - 2018, www.natuurenmilieuhaaksbergen.nl